Selecteer een pagina

 

Plankvrouw

Plankvrouw is een onbuigzame dame, een plank met twee poten, die zoekt naar het applaus maar zich verschanst op de bank, die in haar drinkgedrag zen probeert te zijn en die te veel nadenkt. Ze kan even dramatisch als laconiek zijn en is zich altijd bewust van de kloof tussen het individu en de massa. Maar langzamerhand bevrijdt ze zich van zichzelf.

Plankvrouw strijkt

 

dit is plankvrouw
een plank met twee poten
ze stofzuigt de ramen met lange slagen
van haar armen als een reuzenrad
ze zet het kleine hulpstuk op de slang
voor bij de kozijnen, dat is handiger
het duurt een halfuurtje

plankvrouw is klaar en gaat naar het café
aait de hond met as in zijn vacht
en een vaatdoekgeur
zo gaat het wel

thuis zit ze haar avond uit en kijkt ze
tot de lantaarns aangaan

slapen is een keuze
die plankvrouw niet goed maken kan

ze pakt het kleine hulpstuk
en strijkt zacht een lied

Plankvrouw stelt een daad

 

plankvrouw koopt haar naam in chocoladeletters
terwijl het pas oktober is
wereld is een woord in het bestaan
een zaal in taal
maar dan zonder wanden
denkt plankvrouw

in haar glas met sap en tarwegras
mengt ze een nieuw Syrië

 

Interview Meander
Klare taal met af en toe een poëtische wending

 

Door Antoinette Sisto

Kun je iets vertellen over de totstandkoming van je nieuwe bundel?
Ik was al een aantal jaren Plankvrouwgedichten aan het schrijven. Soms een paar achter elkaar, dan weer maandenlang niet. Op een gegeven moment had ik een aardige verzameling bij elkaar. Vervolgens ben ik gaan kijken of er ook een lijn in zat, een ontwikkeling, want dat is wel nodig voor een bundel met steeds dezelfde hoofdpersoon anders wordt het saai. Na een bespreking met Arthur Lava, mijn redacteur voor dit werk, heb ik er nog een paar gedichten bij geschreven – en voilà. Een bundel.

In hoeverre is Plankvrouw een autobiografische dichtbundel?
Plankvrouw staat redelijk dicht bij mij, maar ze vertegenwoordigt hooguit een stukje van mij. Ze is een beetje sneu en voelt zich buiten de wereld staan, ze houdt zich afzijdig en registreert vooral. Ze is houterig en niet erg op haar gemak bij anderen. Dat aspect heb ik uitvergroot. Ik hoor vaak van mensen dat ze dat herkennen, want niemand voelt zich – denk ik – honderd procent thuis in de wereld. In elk leven wringt het soms en dat is wat ik met Plankvrouw in woorden uitdruk. In die zin denk ik dat ze mijzelf overstijgt en niet langer alleen autobiografisch is.

Naast twee dichtbundels heb je ook proza geschreven. Wat kun je in je romans kwijt dat je niet in poëzie kwijt kunt?
Dat is een interessante vraag. Mijn laatste roman, die nog niet helemaal af is, gaat over het leven van Spinoza. Voor dat onderwerp is een roman duidelijk meer geschikt dan een dichtbundel. Dat zit hem dan in het verhalende karakter van het werk. Maar mijn eerste twee romans had ik misschien ook in poëzie kunnen vatten, de stof leent zich daar goed toe. Het wordt dan anders, maar niet per se minder volledig. Je kunt het vergelijken met een foto en een film. Een foto kan een heel direct gevoel oproepen, waarbij het verhaal impliciet blijft, terwijl een film het verhaal doorgaans expliciet vertelt. Elke vergelijking gaat mank en deze natuurlijk ook, maar dit verschil zie je in poëzie en proza terug.

Je bent werkzaam als redacteur bij de Vlaamse Uitgeverij Voetnoot, waar ook je laatste dichtbundel verschenen is. Kost het je moeite de redacteur in jezelf uit te schakelen wanneer je zelf in het schrijfproces zit?
De meeste dichters en schrijvers die ik ken zijn erg kritisch op hun eigen werk en dat geldt ook voor mij. In die zin hebben veel schrijvers een redacteur in zich. Tegelijkertijd is een echte redacteur onmisbaar, al was het alleen maar omdat hij van buitenaf naar je werk kijkt en je laat weten hoe hij het interpreteert. Dat is waardevolle informatie.

Je bent naast dichter en redacteur ook vertaler. Wat vertaal je zoal?
Ik vertaal artikelen vanuit het Deens voor het maandblad Wetenschap in Beeld. En met mijn collega’s – we hebben met z’n vieren een taalbureau – werk ik aan Historia, een geschiedenistijdschrift, dat ook uit het Deens wordt vertaald. Ik zit eigenlijk de hele dag te leren, het is een geweldige baan.

Je studeerde Scandinavische taal- en letterkunde. Zijn er Scandinavische dichters die van invloed zijn geweest op jouw poëzie?
Ja, die zijn er zeker. Om een paar namen te noemen voor de kenners: Inger Christensen, Pia Tafdrup, Eva Runefelt. Ze schrijven alle drie erg zintuiglijk en in sfeerbeelden, daar houd ik van. Mijn eerste twee bundels (De tempel van Saturnus en Serveer de makrelen) waren meer in die trant, maar de Plankvrouwgedichten zijn nuchterder, daarin ben ik kariger met taal. Het is makkelijk om – ongemerkt – een rookgordijn van woorden op te trekken als je gedichten schrijft, waardoor er eigenlijk niets meer staat. Liever schrijf ik nu in klare taal, met af en toe een poëtische wending, die dan des te sterker is omdat hij er meer uitspringt. In mijn rol van poëzieredacteur merk ik ook dat ik andere dichters altijd aanraadt om eenvoudige beelden te kiezen en minder woorden te gebruiken, nooit méér en ingewikkelder. Vaak winnen gedichten enorm aan kracht als je je beperkt.

In welk opzicht zou je kunnen zeggen dat Scandinavische poëzie verschilt van Nederlandse poëzie?
Heel in het algemeen denk ik dat er in Nederlandse poëzie vrij veel ruimte is voor het absurde van het leven. Dat kan gaan over de vervreemding tussen mensen, zoals je bijvoorbeeld bij Anne Broeksma of Laura Mijnders tegenkomt of over de idiote dingen die mensen denken en doen, waar Charissa Koek over schrijft. Scandinavische poëzie kan wat zwaarder aandoen, maar ook daar komt uiteraard humor en luchtigheid in voor.

Zijn er Nederlandse dichters of dichteressen die jou geïnspireerd hebben? Er zijn veel Nederlandse dichters die me hebben geïnspireerd en nog steeds inspireren. Teveel om op te noemen eigenlijk. Uiteindelijk is het belangrijk om voorbij te gaan aan je inspiratiebronnen en door te zoeken naar je eigen stem, om te schrijven zoals niemand anders het kan. Niet beter of slechter, daar gaat het niet over, maar eigener. Een goede vuistregel voor kunst is dat je in één oogopslag moet kunnen zien wie de maker is. Die regel probeer ik bij uitgeverij Voetnoot (als redacteur) te hanteren en als dichter zelf ook aan te houden. Wat niet wil zeggen dat het altijd lukt, maar in mijn bundel Plankvrouw ben ik daar al veel beter in geslaagd dan in mijn vroegere werk.

Hoe onstaat bij jou het idee voor een gedicht?
Eigenlijk ontstaat er geen idee, het gedicht zelf ontstaat voordat het idee er is. Het begint met wat aantekeningen, een grappig beeld of een vreemde vergelijking. Soms zie ik in een aantal van die notities een lijn, waardoor er een gedicht uit opdoemt. Als ik ervoor ga zitten en iets ga bedenken, wordt het nooit een goed gedicht. Ik vind het interessanter om zelf, als een halve buitenstaander, te volgen wat ik aan het doen ben. Momenteel volg ik een opleiding aan de Fotoacademie en daar werkt het al net zo: in je foto’s kun je terugzien waar je je mee bezighoudt. Dan is je intuïtie aan het werk geweest en die is eigenlijk veel boeiender dan hetgeen je kunt bedenken.

Heb je weleens een gedicht geschreven naar aanleiding van een zelfgenomen foto?
Nee, dat heb ik nog nooit gedaan, maar het is een goed idee. Daarbij is het de kunst om ze niet te laten overlappen, want twee keer hetzelfde zeggen – in woord en in beeld – is een zwaktebod. Ze zouden elkaar moeten aanvullen.

Wat maakt een gedicht in jouw ogen tot een geslaagd gedicht?
O, dat wisselt erg. Soms kan ik een gedicht erg geslaagd vinden en de volgende dag helemaal niet meer. Los daarvan zijn er gedichten die eigenlijk altijd overeind blijven, in wat voor bui je ook bent. Gedichten die je altijd wel wilt voorlezen. Ik denk dat dát de beste gedichten zijn. Overigens is het leuk om te merken dat er ook lezers zijn die juist de – in mijn ogen – minder geslaagde gedichten goed vinden.

Wanneer is een gedicht voor jou af?
Heel pragmatisch: als ik er niets meer aan kan veranderen zonder dat het een verslechtering inhoudt. Wat niet eens hoeft te betekenen dat het een goed gedicht is.

Wat betekent poëzie voor jou?
Kersje op de taart. Ik kan enorm genieten van een bijzondere formulering die precies een bepaald gevoel uitdrukt, misschien nog meer bij andere dichters dan in mijn eigen werk. Of in de krant of op een toiletdeur. Poëzie kom je uiteindelijk op de gekste plaatsen tegen, als je er maar oog voor hebt.

Interview Voetnootkrant
Twee streepjes vrouw en geen geheel

 

Door Frits Pijlsnijder

Zomaar een citaat uit het eerste gedicht van de bundel: …ze stofzuigt de ramen met lange slagen / van haar armen als een reuzenrad / ze zet het kleine hulpstuk op de slang / voor bij de kozijnen, dat is handiger…In vergelijking met je eerdere bundels is je poëzie concreter geworden.
Voigt: De taal is vrij duidelijk in deze gedichten. In mijn oudere gedichten waren het de woorden waar je meerdere kanten mee uit kon. Nu zit het meer in wat er tussen de regels door wordt gesuggereerd. Sommige mensen die ze gelezen hebben, vinden ze erg optimistisch. Anderen juist weer heel droevig.

Je volgt sinds een jaar een opleiding aan de Fotoacademie. Is dat van invloed op deze gedichten geweest?
Voigt: Niet echt. De meeste gedichten uit Plankvrouw dateren van daarvoor. Het is eerder zo dat mijn behoefte om te gaan fotograferen voortkwam uit de ontwikkeling van mijn dichterschap. In mijn poëzie was ik altijd al visueel bezig. Daaruit ontstond de behoefte me meer in die richting te ontwikkelen.

Plankvrouw is aanwezig op elke pagina. Ze wordt omschreven als een plank op twee poten… twee streepjes vrouw en geen geheel… Is Plankvrouw buigzaam?
Voigt (heel beslist): Nee, Plankvrouw is niet buigzaam. Ze is onbuigzaam.

Dat klinkt als een bewuste keuze.
Voigt: Ze buigt het liefst niet. Ze is alleen maar buigzaam als de sociale omstandigheden haar daartoe dwingen.

Ondanks alles lijkt ze tevreden met haar lot. Ze koos de juiste route naar het licht, lees ik ergens. Tegelijkertijd zie ik dat de verlangens van Plankvrouw vaak hand in hand gaan met de angst dat het verlangen bevredigd wordt. Die VSB Poëzieprijs bijvoorbeeld die ze in een van de gedichten in ontvangst mag nemen.
Voigt: Precies. Dat is wishful thinking en nachtmerrie ineen.

En er is ook nog het verlangen naar een Plankman. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?
Voigt: Plankman is ook een plank op twee poten. Hij is iemand die naadloos aansluit op de plankvrouw. Hij belichaamt het aloude verlangen naar de twee-eenheid. Naargelang de omstandigheden is hij net zo buigzaam of net zo onbuigzaam als Plankvrouw.

Die je ook omschrijft als twee streepjes vrouw en geen geheel. Dat klinkt niet zo stabiel.
Voigt: Die plank zie ik ook eerder als een staketsel, als een poging om de boel bij elkaar te houden. En een plank is – het woord zegt het al – nogal houterig, botst overal tegenaan…

De werkelijkheid is weerbarstiger dan je soms zou willen…
Voigt: De noodzaak je sociaal op te stellen om je te kunnen handhaven is een belangrijk thema in deze gedichten. De discrepantie tussen het individu en de massa… het onvermogen…

Ondanks dat houterige komt Plankvrouw uit deze gedichten naar voren als een vrouw van vlees en bloed, een vrouw die ’s avonds gewoon voor de televisie zit en naar The voice of Holland of naar de X factor kijkt. Je noemt de presentatoren zelfs in een van je gedichten.
Voigt: Wendy van Dijk en Martijn Krabbé staan symbool voor iets… Van die lieve mensen die de hele tijd tegen de kandidaten zeggen hoe goed ze het wel niet doen. Een soort papa en mama. Heeft niet iedereen behoefte daaraan?

Hoewel er niet veel verandert in het leven van Plankvrouw, wordt toch de indruk gewekt dat ze een ontwikkeling doormaakt. Tegen het einde lijkt ze me meer ontspannen.
Voigt: Misschien zit de ontwikkeling meer in de berusting. En – niet onbelangrijk – gaandeweg wordt er iets van trots zichtbaar.

Plankvrouw zet de toon heet het in een van de latere gedichten.
Voigt: Inderdaad, want niet iedereen kan Plankvrouw zijn. Ze is trots dat bepaalde zaken voor haar een probleem zijn. Dat besef ontstaat geleidelijk.

Op een gegeven moment hangt Plankvrouw aan een boot die in de Passeerdersgracht ligt en piest in het water. Ze vergelijkt zichzelf op dat moment met een Amerikaanse generaal.
Voigt: Nu wil je natuurlijk weten waarom?  Het is natuurlijk trots, misschien zelfs hoogmoed.

Het is in ieder geval een operatie die niet zonder gevaar is. Maar het levert wel iets op: ze hijst zich overeind / voor even bevrijd.
Voigt: En dat hoef je niet alleen letterlijk te nemen.

 

Serveer de makrelen

Serveer de makrelen beweegt zich tussen champagne, een kogelvrije scheldpartij, de man als olietanker en een sushibar. Hoe aards dit soms lijkt, de reis die we maken is een poëtische. We geven ons over aan het beste niets of een synchrone dans. En ondertussen trekken we van Venus naar de Afsluitdijk, om te eindigen in de wereld van makreel. Daar is geen angst dat het leven umsonst zou zijn; daar is alles makkelijk. Want makrelen houden van eenvoud.

De wereld van makreel

 

Welkom in de wereld die makreel heet
vol onverzadigde glans en stevige lijven

hier is geen weerhaak die je aan je woorden houdt
een makreel is geen makreel is geen makreel
zo moeilijk is het niet

serveer ze rauw en zonder saus
van secundaire overwegingen

makrelen houden van eenvoud
grove mazen in het net
een krant om in te liggen

serveer de makrelen met gevoel
denk niet na en eet ze op een bed
van ijsbergsla

Zoekend langs de Maas

 

Ik zocht het smeedijzer van de stad
in de blauwe klinkers en het zandveld
het verband tussen zangers, patat
en de bibliotheek, driemasters, doctoren

de ritmische pols van moderne cafés
olietankers, de verlaten Euromast
in een glimmend zondagochtendlicht

een gezicht in een plas, maar iets
een reden om hier te zijn
om in deze stad het licht te zien
de uiteengedreven meeuwen jankend op de wind
de flats, de jaren zestig in de sneeuw

de regen raast over de Maas
van binnen vervuild maar verlicht

Stand van zaken

 

Even later zou er drama zijn, maar nu eerst zakelijk:
het universum is niet gemaakt met mij in het achterhoofd
ik was geen sliertje in de materiële soep

ik kwam veel later pas, ik had het koud
om warm te worden zon ik op getallen
ik werd hersenwerk, besturingselement
zonder mij geen informatiedragers
geen natuurwet, geen tabellen en geen tijd

ik heb de afstand tussen mensen groot genoeg gedacht
om een liniaal te schuiven tussen waarnemer en waargenomen
verschijnselen ontleed ik en ik neem ze uit elkaar
ik rits niet meer, ik voeg niet meer

maar rationele rede is een magere begeleider
bij onweer en ellende
en het is moeilijk te aanvaarden
dat het allemaal umsonst zou zijn

vooruitgang kom ik tegen in de wandelgangen
beweegt zich achteloos naar wat er altijd was

 

De tempel van Saturnus

Saturnus is de god van de oogst en de onderwereld, van de weelde en de wijn, van vrijheid en verval. De restanten van zijn tempel staan op het Forum Romanum. De gedichten in De tempel van Saturnus willen recht doen aan deze veelzijdigheid, en gaan eveneens van leven tot dood, waarbij alles wat raadselachtig is, raadselachtig moet blijven.

Langpootmug in leeg huis

 

De kamer vóór is hoog
alleen een langpootmug tegen de muur
hij danst van paniek
als we hier de tafel doen en daar het schilderij

de ramen zijn halfrond en zitten dicht
aan de overkant is een terras
bij de bushalte staat een koelkast, maar kapot
een man met slippers komt langs op een vouwfiets

de mug scheert langs het plafond
hierboven moet een badkamer zijn
de andere kant kijkt uit op een terrein
met oude bedden en een wasmachine

de mug springt langs het achterraam
tot het uiterste gespannen nu
als de eerste marathonloper
vol van woorden en betekenis

in het water drijft een rode bank

de mug klappert en zoemt en schiet heen en weer

we nemen het

Brief van een geoloog

 

Gisteren goede schisten gevonden
vandaag in een groeve geweest voor graniet
heet is het hier, de aarde is droog en gesloten

overdag rij ik rond in de bergen, ik monster de bodem
in velden, langs wegen waar vrouwen in zwart
loeren vanachter hun leren gezichten

zie ik de eenzame hitte en hemels vol sterren van zwart toermalijn
zie ik de vaten vol wijn, boerderijen, ravijnen en vlakten
mijn hamer, de zakken met brokken van grijzige leisteen, mijn beitels
en op wonderbaarlijke wijze mijzelf, al hakkend en peilend

een varken aan ’t spit, het werkloze deel van het dorp daaromheen
met witblinde ogen, met builen, en starend
naar schuimende klodders spuug in het zand
zie ik gedroogde gezichten van kippen
die bruinrood, gerimpeld en naakt aan hun poten gehangen
bungelen onder het raam van mijn kamer
gehuurd voor twee maanden, nog weken te gaan

overdag zie ik lucht als een vlakte van mica, veelkleurig als olie
met fijne barsten en scheuren en daardoorheen de verzengende zon

en ’s nachts door het raam zie ik vuurstenen lichtflitsen maken
het onweert alsof een lawine van rotsen het landschap doorklieft
morgen breek ik het aardoppervlak voor wolfraam
kom snel naar me toe en ik mis je, veel liefs

Recensie NRC Handelsblad

Hoe de wereld toch nog iets anders wordt

 

Door Ilja Leonard Pfeijffer

Verrassing is te verwachten. Kunst is er altijd op uit ons iets te laten zien, horen, lezen of meemaken wat we niet hadden voorzien. Daarin onderscheidt kunst zich van kitsch, die uit is op bevestiging en herhaling van het overbekende. Kunst drijft op vervreemding, kitsch op herkenning. Maar totale vervreemding is onmogelijk. Het volledig onvoorstelbare kun je je niet voorstellen. Goede kunst zal altijd aansluiting zoeken bij datgene wat we al kennen, ofwel uit de werkelijkheid, ofwel uit kunst die eerder is gemaakt. Een kunstwerk dat zich geheel en al wenst los te zingen van deze wortels, zal onherkenbaar zijn en schouderophalend gepasseerd worden zonder in staat te zijn te raken. Succesvolle vervreemding bestaat uit een spel met onze verwachtingen die zijn gebaseerd op onze kennis van de werkelijkheid en andere kunst. Om te verrassen heb je het bekende nodig.

De verrassing die je hoopt te ondergaan bij het lezen van poëzie kan van velerlei aard zijn, maar je zou kunnen zeggen dat er grofweg twee typen zijn, die zich onderscheiden in de manier waarop zij het bekende exploiteren. Ten eerste zijn er gedichten die hun eigen, al dan niet vervreemdende universum scheppen en de lezer binnen die autonome wereld bij voortduring op het verkeerde been zetten. Dit is poëzie die speelt met onze kennis van de werkelijkheid. Ten tweede is er poëzie die verrast door een spel te spelen met onze kennis van poëzie. Zulke gedichten geven traditionele genres een nieuwe vorm of maken op een vernieuwende manier gebruik van traditionele poëtische middelen als stijlfiguren en beeldspraak.

Debuten zijn altijd een verrassing. Dat maakt debuten ook zo leuk. Een nieuwe stem dient zich aan in de poëzie en begint zonder zich te introduceren tegen je te spreken. Een poëziedebuut behelst per definitie een onverwachte gebeurtenis, want het voegt een nieuw geluid toe waarop niemand zat te wachten en waarvan niemand zich een voorstelling kon maken voordat het klonk. Een nieuwe bundel van Kopland, Korteweg, Kouwenaar, Koenegracht of Komrij zal altijd met bepaalde verwachtingen worden opengeslagen, want we kennen hun stemmen en maken ons een vrij specifieke voorstelling van wat we in hun nieuwe werk zullen aantreffen, een voorstelling die door de lectuur in meerdere of mindere mate zal worden bevestigd. Maar een debutant belt onaangekondigd aan met een nieuw type multifunctionele tapijtreiniger-grasmaaiermassagestaaf waarop je ook kunt wokken, waarvan we nooit hadden geweten dat wij hem nodig hadden maar die al gauw een onmisbaar apparaat wordt in ons huishouden. Of niet.

Onlangs verscheen De tempel van Saturnus, het debuut van Andrea Voigt (1968). Het debuut van haar generatiegenoot Bart Meuleman (1965, hij publiceerde eerder een bundel bij een kleine uitgeverij), getiteld Hulp, is al wat langer uit. Beide debuten zijn interessant omdat zij verrassen en niet alleen bij de gratie van het feit dat ze onverwacht hebben aangebeld. En beide verrassen op een andere manier.

De poëzie van Andrea Voigt is op het eerste gezicht volledig vertrouwd en conventioneel. De titel maakt zelfs een reactionaire indruk. De gedichten zijn volgens beproefd recept gerangschikt in thematische cycli met traditionele thematiek. Er is een reeks over tuinen, gespiegeld door een cyclus over verre reizen en een reeks over een verblijf in een onheilspellend oord die is ingedeeld volgens de zeven dagen van de week. De gedichten zelf lijken gedichten te zijn zoals de meeste mensen zich gedichten voorstellen: gevoelige observaties en empathische portretten. Kortom, deze poëzie zoekt een zo nauwe aansluiting bij de poëtische traditie dat zij op het eerste gezicht volledig traditioneel lijkt.

Bij nadere beschouwing blijkt Voigt echter een spannend spel te spelen met de conventies waar zij opzichtig tegenaan schurkt. Zo blijken de tuinen in haar openingscyclus niet geheel te voldoen aan het beeld van de klassieke locus amoenus. De `hij’ en de `zij’ in het openingsgedicht lijken te toeven in een ouderwets herkenbare idyllische omgeving: `zij wil bloeiende pioenen / en dansen met haar haren los // hij verlangt naar schaduwen en schemering / kamille en papavers’. De adder onder het gras van deze paradijslijke wondertuin is het feit dat de idylle geheel en al wordt beschreven als een verlangen en het bittere succes van dit gedicht bestaat eruit dat de idyllische verlangens van de `hij’ en `zij’ contrasteren. Zij wil de wilde, losgeslagen, zonnige kant van het paradijs, terwijl `hij wil zitten met zijn rug tegen een koele muur‘. Beide zijn traditionele elementen van de poëtische idylle. Voigt verrast door de conventies op onnadrukkelijke manier naar haar hand te zetten en de traditie te gebruiken om via onverenigbare verlangens een onoverbrugbare afstand te suggereren tussen de `hij’ en de `zij.’

Het gevaar van de manier waarop Voigt dicht, zwaar leunend op traditie en conventie, is dat de mindere gedichten weinig meer dan traditioneel en conventioneel zijn. Maar waar zij de traditie gebruikt als een instrument om te ontregelen, maakt zij spannende poëzie.

( … )

Voigt en Meuleman manipuleren onze verwachtingen door ze naar hun eigen hand te zetten. Voigt speelt met de poëtische traditie, Meuleman met de wetten en de logica van de wereld zoals wij haar kennen. Beiden zijn een verrassing.

Voigt speelt een spannend spel met de conventies waar zij zo opzichtig tegenaan schurkt —  NRC Handelsblad